Kort verhaal van Henk Woudenberg
Mijn jeugd in Apeldoorn
Vanuit het centrum van Apeldoorn, over de Asselsestraat naar wijk Orden, bij de wielrenbaan, de Adelaar, linksaf, kon je na 100 meter bij de Jachtlaan oversteken hiervan hield de verharde weg na 150 meter op, rechts lagen de voetbalvelden van Robur et Velocitas, een voetbalclub uit 1892.
Deze sintelweg, Orderparkweg genaamd, liep langs een leegstaande en verwaarloosde lompenfabriek.
Tot op een splitsing waaraan enkele huizen en een timmerwerkplaats van Hendrik van Buren, wiens vrouw ook een sigarenwinkel bij had, ze hadden 2 dochters en een zoon, Henkie, die ongeveer net zo oud als ik was.
In het andere gedeelte van de twee onder 1 kap woning woonde een familie Gijzen, ze hadden een zoon, Karel, en een dochter.
Naast hun huis stond het huis van de familie Cornelissen, waar buurvrouw Cornelissen altijd ziek op bed voor de ramen lag, wat ze mankeerde weet ik niet, het was voor ons kinderen niet belangrijk, het was een vast gegeven.
Wel herinner ik mij dat deze buurman werkzaam was als bosarbeider, hij bracht vaak wild mee naar huis, waaronder ook adders.
Die hij dan aan zijn schuurtje ophing en de huid eraf stroopte, we vonden het maar griezelig en wat hij er verder mee deed ben ik nooit te weten gekomen.
Naast de timmermanswerkplaats, stond een oud wit boerderijtje met een rieten dak, daar woonde een broer van hem, Jo van Buren.
Hij was getrouwd met een Rotterdamse vrouw, we noemden haar Tante Ina, ze hadden 3 kinderen, Henny, Truusje en Gerrit.
Waarvan Henny op jonge leeftijd TBC kreeg en nog jaren moest kuren, eerst vlakbij in Beekbergen maar later naar Harderwijk, waar mijn vader hem op zijn bromfiets geregeld opzocht.
Er tegenover stond op een licht oplopende heuvel een huisje met 3 puntdaken, waar een oude vrijgezel, Willem Buitenhuis in het linker huisje, en mijn ouders in het middelste en rechterdeel woonden, Orderparkweg 64.
Hier ben ik op 17 juni 1945, net een maand nadat de tweede wereldoorlog was geëindigd, ter wereld gekomen, als enig kind, mijn vader Martin Woudenberg was papiermaker bij van Gelder papier en moeder Hendrika Maassen was huisvrouw en schoolschoonmaakster aan de Professor Gunning school.
Net voor ons huis splitste zich de weg in een pad naar een heel oude boerderij de “Polhout”, en de genoemde weg naar de Jachtlaan, in de vork van de splitsing stond een huis van de familie Nijhof.
Met de zoon Bertus speelde ik veel, hij was drie jaar ouder en ik leerde dus veel van hem, hij had nog een oudere broer Dirk en twee oudere zussen, waar ik de naam van kwijt ben.
Ons huis stond in een buurtschap met weinig huizen en de weg was een oude sintelweg met veel kuilen, waar we als kinderen, tot verdriet van de moeders, graag speelden in de plassen als het geregend had.
In het huis was geen toilet, douche, stromend water of gas aansluiting, er was 1 slaapkamertje voor mijn ouders, 1 keuken annex leefruimte, waar mijn moeder op 2 petroleumstellen kookte en onze was deed, iedere maandag in een grote ketel, en een opkamertje met opklapbed waar ik sliep.
Voor het huis een pomp en een waterput voor het wassen en het besproeien van de tuin.
Naast de pomp stond een blauwe seringenboom, waar mijn moeder dol op was.
Het toilet was buitenom en een ouderwetse WC, een houten kast met een rond gat met deksel en een hartje in de deur, krantenpapier als WC papier aan een touwtje, in die schuur een kolenopslag, waar voor de winter inviel, een kolenboer zakken met cokes kwam bezorgen, een varkenshok waar een big werd opgefokt tot hij zwaar genoeg was voor de slacht en werd dan door een veewagen opgehaald, waarbij mijn moeder altijd stond te huilen, omdat ze aan het dier gehecht was geraakt.
Zelf zag ik het niet zo, maar we waren een arm gezin, als zo velen na de oorlog, heel veel steden in Nederland lagen nog in puin en alles moest weer opgebouwd worden.
Mijn moeder had een aantal potjes op de schoorsteen waarin iedere week het binnenkomende geld werd verdeeld, huur, krant, verzekeringen en een kwartje voor een abonnement op de AP, de Arbeiders Pers van het Vrije Volk, waarbij we ieder kwartaal twee nieuwe boeken kregen, 1 voor mijn moeder en een kinderboek voor mij, we waren dol op lezen.
Het Vrije Volk was de grootste krant van Nederland en een echte socialistische krant wat naadloos op mijn vaders mening aansloot, bij verkiezingen kwam er steevast een grote poster in de tuin voor het huis, en als er een van de buren een iets grotere had zorgde hij dat er een nog groter formaat kwam.
De krantenbezorger kwam iedere morgen een kopje koffie doen en inde iedere week het geld voor de krant en spaarcenten voor de boeken van de Arbeiders Pers.
De huurbaas haalde iedere week zijn geld, en de bakker kwam met zijn bakfiets langs de deur, net als de melkboer.
Ook had mijn moeder een abonnement voor mij genomen op het net verschenen blad Donald Duck, die wekelijks verscheen, ik verslond ze woord voor woord.
Wat er over bleef van de centen, was om van te leven, bij de kruidenier Vos hadden we een boekje waar de boodschappen in werden opgeschreven, en eens per week werd alles afgerekend.
In de winkel Vos werd alles nog gewogen en in bruine papieren zakken verpakt, er was nog weinig keus en inde eerste jaren waren veel artikelen op de bon wat inhield dat die artikelen alleen met de per gezin verstrekte bonnen verkrijgbaar waren.
Onder de schoorsteen stond een oude kolenkachel, met er achter een asbest plaat, wat toen nog als wondermiddel werd gezien, ik mocht er met mijn speelgoed spelen.
Op zaterdag was de baddag, in een grote teil werd je gewassen en kreeg schone kleren aan.
Achter het huis een aantal fruitbomen, waaronder wichtertjes boom, een boom met kleine blauwe pruimpjes die vreselijk wrang smaakten, en een kettinghond, een lieve Keeshond, die ik iedere dag na het eten de resten van de maaltijd als prakje moest brengen, rondom het huis een grote groentetuin met ook snijbloemen en kruisbessen, rode en witte bessenstruiken, waarvan weer jam werd gemaakt.
Er stond een oude woonwagen zonder wielen, die dienst deed als kippenhok met een kippenren er aan vast, waar ik altijd de eieren moest rapen maar ik was doodsbang voor de haan, die je altijd aanvloog.
Ieder jaar werd de groente uit de tuin ingemaakt in weckflessen, en bonen ingelegd in het zout, wat inhield een grote Keulse pot, daarin laag bonen, laag zout, laag bonen enz, op het laatst een neteldoek, plank erop en een zware steen.
De bruine bonen werden aan hun struiken te drogen gehangen om later gedopt te worden en zo als droge bonen te bewaren,
Appels van de bomen achter ons huis werden te drogen gelegd op het zoldertje en daar werd later een gerecht genaamd Hete Bliksem van gemaakt.
Ook was er een zeer oude boerderij op 100 meter van ons huis, de Polhout genaamd, met eeuwen oude beuken bomen eromheen, heerlijk om er te spelen in de bosjes rondom.
Iedere herfst mochten we daar blad komen harken en in grote zakken doen, zo verdienden we een centje bij.
Ik had een heerlijke jeugd met veel natuur in de nabije omgeving en het zwemmen leerden we in een sprengenbeek die water toevoer was voor een wasserij Meijer vlak in de buurt, en later gingen we iedere dag naar zwembad Bosbad, welke midden in de bossen lag, en ieder jaar kreeg ik een jaar abonnement voor dit zwembad zodat je er iedere heen ging om het dure abonnement eruit te halen.
Henk van Buren leende stiekem oude sigaretten uit zijn moeders winkel, sigaretten die bruine plekjes op het papier hadden en dus niet meer geschikt waren voor de verkoop, die we dan oprookten bij de oude lompenfabriek, ik weet nog hoe ziek we van die eerste sigaretten waren, je was misselijk en beroerd, maar het stond oh zo stoer.
Op vrije woensdag middagen ging ik, met een vriendje, zoon van de boswachter, na schooltijd mee naar zijn huis, een boswachter woning naast het voetbal terrein van AGOVV.
Waar we dan naar het bos gingen, waar je mocht helpen afvalhout van de gekapte bomen te verbranden, welke jongen zou dat niet willen.
Ook ging iedereen in de herfst bosbessen plukken, die je dan aan het einde van de dag verkocht aan een man die met een weegschaal op een bakfiets alles opkocht voor de prijs van die dag.
We verhuisden op mijn tiende naar een nieuwbouw complex vlak in buurt, de wijk Orden, de Johannes Vermeerlaan 8.
Een nieuwbouwhuis met een doortrek toilet, douche en een lavet waar mijn moeder onze was in kon doen, mijn opa kwam elke zaterdagmiddag met handdoek, om zich bij ons eens lekker kon douchen i.p.v. naar het badhuis te gaan.
We hadden 3 slaapkamers en voor het eerst had ik een eigen kamer, die al gauw vol hing met posters van zangeressen en filmsterren uit een weekblad Romance.
In de wijk Orden werd, waar zoals toen overal het geval was, een winkelcentrum en een nieuwbouwwijk werden gebouwd, al het groen moest ervoor wijken, ook de voetbal vereniging moest verhuizen.
Er was ook een patatzaak waar wij als kinderen erg blij mee waren en waar we als tieners veel kwamen voor een biertje.
Henk van Woudenberg
130 jaar geleden geboren
Legendarische boerendichter
Jan van Riemsdijk zong voor Wilhelmina op Het Loo
Door Freek Bomhof
Jan van Riemsdijk, de bekende Veluwse dichter en zanger, werd op 23 april 1879 in Rotterdam geboren. Hij was nog maar tien jaar toen zijn vader, een tabakshandelaar, om gezondheidsredenen naar de Veluwe trok. Jan groeide op in het boerenland en tussen het volk dat hem later zoveel stof zou opleveren voor liedjes en grappen waarmee hij duizenden mensen heeft vermaakt. Gedurende zijn jeugd heeft niemand die rol kunnen vermoeden.
Na de lagere school ging Jan studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen en daarna zond zijn vader hem naar Sleeswijk-Holstein om er de nodige praktische ervaring op te doen in de kunst van het maken van boter. In 1899 keerde hij terug naar Heerde en werd eigenaar van een particuliere boterfabriek. In die dagen waren er veel van die kleinschalige bedrijven. Enige tijd hadden zij de wind in de zeilen maar toen de boerencoöperaties veld wonnen ging Jan op zoek naar een ander arbeidsterrein.
Humor
De slechte gang van zaken had geen invloed op zijn humor. Hij schreef gedichten en voordrachten en bracht het daarin zover dat zijn werk een ware ontdekking werd. Toenmalige landelijk bekende kunstenaars moedigden Van Riemsdijk aan om zich verder in de kleinkunst te bekwamen. Hij verzorgde steeds meer optredens in het land. Zijn ariestencarriére was begonnen en werd uiteindelijk een groot succes. Hij werd begeleid door een pianist en later, toen zijn kinderen gingen studeren, werd de muzikale begeleiding verzorgd door zijn vrouw.
Na haar vroege overlijden in 1935 trouwde Jan voor de tweede keer. Met deze vrouw zong hij vaak samen en zij werden daarbij dikwijls muzikaal ondersteund door hun zoon Romboud die ook vaak de muziek schreef bij Jan’s teksten.
Twee keer werd Jan uitgenodigd op Het Loo om voor koningin Wilhelmina en prins Hendrik op te treden.Eén keer was dat op 26 september 1923 bij het zilveren regeringsjubileum van Wilhelmina. Hij had voor deze gelegenheid speciaal een lied geschreven dat hij noemde: ‘De Veluwsche Filsetoatsie’.
Van Riemsdijk maakt ook een tournee door het toenmalige Nederlands Indië en is zelfs naar Amerika geweest. Zijn optredens in het land in verschillende grote zalen waren altijd uitverkocht. In de regio trad hij verschillende keren op in Tivoli aan de Nieuwstraat in Apeldoorn.
Tivoli
Op de radio was hij ook een veel gevraagde artiest. Hij zong onder anderen in het zeer populaire programma ‘De Bonte Dinsdagavond Trein’ van de AVRO. Een topuitzending in de tijd dat er nog geen televisie was. Wie echt van zijn humor wilde genieten moest hem in werkelijkheid zien. Hij had een voortreffelijke mimiek. Een bekende uitspraak van hem was: Wat is kuns? Kuns is iets wa’j niet kent, want a’j het kent is het geen kuns meer’
Enkele liedjes waarmee hij bekendheid genoot waren: De olde scheeper, Karmeslied, De lepe Hannes, De trekhond, Vrouwenkiesrecht en Bloote arms. Dat laatste nummer gaat over een juffrouw van de christelijke school in Oene die te bloot gekleed was. Dat was toen zelfs groot nieuws voor de landelijke kranten.
Van Riemsdijk bleef optreden tot kort voor zijn plotselinge dood op 18 oktober 1954. De bekende Cannenburgher Boerendansers uit Vaassen maken nog wel eens gebruik van het repertoire van deze legendarische artiest.
Dit is het lied dat hij in 1923 zong op het paleis ter ere van Wilhelmina:
Goeienmargen Koninginne
Van harte ok gefilceteerd.
Met de vief en twintig joaren
Die ie ons heb geregeerd.
Weet ie nog de Kroningsfeesten?
Toen was ’t Volk bes te pas.
Foi, wat vlug die tied toch umme,
’t Is of ’t gisteren nog was.
In die vief en twintig joaren
He’j altied oe plich é doan.
Zelfs in de oorlogsjoaren
Is ’t met Holland bes é goan.
Met een duutscher béj goan trouwen,
Van Meklen….Sweerin…Of zoo?
’t Is veur ons zoo vremde name,
Hier heet ie: Hendrik van ’t Loo.
Toen kwamp Hollandsch Juliaantje
Toen is ook groot fees é wes.
‘k Heur de buurvrouwe nog roep’n:
’t Is geen Prins moar een Prinses!
En al was het ok een deerne,
En al was het ook geen man?
Van heur moeder kan ze leer”n
Dat een vrou regeeren kan!
En noe beste Koninginne,
Met de pette in de hand,
Wensch ik oe nog heel veul joaren
Op de troon van Nederland.
Ie zult mien misschien niet kennen/
En mien vrouwe ok al niet?
Ik bin Jan, de dichter-zangerVan Veluwsch boerenlied.
Dorus de Bananenkoning
65 jaar geleden stond het navolgende bericht in de Apeldoornse Courant.
TH. HEBING †
Hier ter plaatse is overleden op 62-jarigen leeftijd Th. Hebing, bij zijn collega’s op de markt beter bekend als “Dorus” en bij het marktbezoekend publiek bekend als de man van de bananen.
Hebing kon op aangename wijze het publiek bezighouden, waarbij hij tevens goed zijn zaken behartigde.
Met hem is een typische marktkoopman heengegaan.
Wie was deze man?
Dorus (Theodorus Bernardus Hebing), - geb: 09-09-1880 - was een groenten-kweker en marktkoopman te Velp. Zijn voorkeur ging uit naar de markt. De kwekerij was hem te veel.
Hij vestigde zich op 9-01-1925 met zijn gezin in een winkelpand met pakhuizen in de Mariastraat 25 te Apeldoorn.
Op 09-08-1929 verhuisde hij naar de Osseveldweg 30. Een vrijstaand woonhuis met pakhuisruimte.
Zoon Gerrit bleef met zijn echtgenote (Maria Jacobs) achter in de Mariastraat.
Vervolgens verhuisde hij op 17-01-1938 naar de 1e Wormenseweg 116, waar hij een winkel in Groenten, Fruit en Aardappelen begon.
Zoon Bertus bleef met zijn echtgenote (Stien Grit) achter in de Osseveldweg.
Tenslotte verhuisde hij op 04-02-1939 naar een woonhuis aan de Arnhemseweg no. 3.
Zoon Daan bleef met zijn echtgenote (Annie Kool) achter aan de 1e Wormenseweg.
Uit bovenstaande kun je opmaken, dat hij er voor zorgde dat zijn kinderen goed terecht kwamen. De naam Hebing is vele jaren verbonden gebleven aan groenten en fruithandelaren in Apeldoorn.
Zelf legde hij zich uitsluitend toe op de markten in Apeldoorn en wijde omgeving.
Hij was een gezien man bij zijn klanten.
Daar maakte hij wel eens misbruik van, zo gaat het verhaal, dat toen hij terug kwam van de markt in Deventer, hij gewoonte-getrouw aanging bij een boerenfamilie in Twello. De familie zat aan tafel, bij geopende ramen en stond op, om hem aan de achterdeur te ontvangen.
Dorus liep echter snel naar het geopende raam, stapte naar binnen en at een op een bord liggende kotelet op.
De boer en boerin kwamen, onverrichter zake terug in de huiskamer en zagen hem daar, vergenoegd smullen.
Ze zullen best boos zijn geweest, maar Dorus kon bij hen geen kwaad doen.
Voor de tweede wereldoorlog trad hij op gezette tijden op als standwerker met bananen. Hij deed dat op een zodanige wijze, dat hem dat de bijnaam als “Dorus, de bananenkoning” opleverde.
Groot was dan ook de verslagenheid onder de collega’s en de vele klanten toen zij van zijn overlijden op 9 maart 1943 vernamen.
Navrante bijzonderheid is nog, dat op de betreffende dag, zoon Daan, met zijn bakfiets, snel de Mariastraat in reed, om bij zijn broer wat handel op te halen. Hij reed toen bijna over iemand heen, die op straat lag. Tot zijn grote schrik bleek dat zijn vader te zijn.
Zutphen, maart 2008.
Th.B. Hebing.
(kleinzoon)
“Dorus” de man van de bananen
Th. Hebing in actie op de markt.
Zelfde foto, maar andere uitsnede. Archief: Peter Evers.
